's Winters wordt de kerk verwarmd door middel van een volautomatische oliestookinstallatie. De ketel bevindt zich in een betonnen kelder vóór de preekstoel. Via drie roosters, één in de noordoosthoek van de kerk en twee voor het doophek, wordt de luchtcirculatie geregeld. Deze wijze van verwarming bestaat sinds de restauratie van de kerk. Tot de laatste aantekeningen in het " Actenboek van Kerkvoogden en Notabelen ( 1854-1909) " behoren enige opmerkingen over het oude verwarmingssysteem: "De met testen verwarmde stoven voldoen bij strenge koude maar matig Alle broeders spreken zich uit voor een meer doelmatige kerkverwarming." Het bleef niet bij deze instemmende verklaring, want "Den 10den januari 1909 verwarmde een Salamander kachel voor de eerste maal, op zeer bevredigde wijze het anders bij winterdag zoo koude kerkgebouw! " notuleerde de scriba blijkbaar met vreugde in zijn register. Het eeuwenoude gebruik van de kerkstoven was hiermee nog niet geheel overbodig geworden. Tot na de oorlog bewaarde men een groot aantal stoven en vuurtesten in een speciaal stovenhok aan de zuidzijde van de toren.