Kerkje van 't Woudt

Trouwen op een romantische plek middenin de polder? De kerk van 't Woudt is te huur voor de kerkelijke inzegening van uw huwelijk. Standaard wordt ook een organist voor u verzorgd. Het regelen van een voorganger en eventuele ambtsdragers wordt aan uzelf overgelaten.

Verhuur voor andere doeleinden is bespreekbaar.

Tarieven:
maandag t/m vrijdag € 400,- *
zaterdag € 600,- *

* In de winter is een stooktoeslag van 10% van toepassing.
De huur is gebaseerd op ongeveer 2 uur, inclusief openstelling 30 minuten voor en na de dienst.

Voor informatie kunt u contact opnemen met de koster:
Dhr. L. Steenks, 06-21676343 (ma t/m vr na 19.00u), Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien. , 't Woudt 23, 2636 HD Schipluiden

 

Van mei tot half september is de Woudtse kerk op zaterdag tussen 13.00 en 16.00 uur open voor bezichtiging. Er zijn vrijwilligers die u graag rondleiden in de kerk.
Bij trouw- en rouwdiensten is de kerk niet open voor publiek. Bij zomeravondconcerten kan de kerk eerder dicht gaan vanwege de voorbereidingen van de musici. Houd de actuele openingstijden hieronder in de gaten.

2017 Tijden Bijzonderheden
20 mei 13:00 - 16:00
27 mei geen openstelling Zomeravondconcert
3 juni geen openstelling trouwdienst
10 juni 13:00 - 16:00
17 juni 10:00 - 16:00 Midden-Delfland Dag
24 juni geen openstelling Zomeravondconcert
1 juli geen openstelling
8 juli 13:00 - 16:00
15 juli geen openstelling Zomeravondconcert
22 juli 13:00 - 16:00
29 juli 13:00 - 16:00
5 augustus 13:00 - 16:00
12 augustus geen openstelling Zomeravondconcert
19 augustus 13:00 - 16:00
26 augustus geen openstelling Poëziefestival
2 september geen openstelling Zomeravondconcert
9 september geen openstelling trouwdienst
16 september geen openstelling Zomeravondconcert

De Woudtse kerk is ook op afspraak te bezichtigen. Om een afspraak te maken, kunt u contact opnemen met de heer IJ. van Woerden: 015-2622988.

 

Aan de drukke verkeersweg van Delft naar het Westland vindt men, onder de gemeente Schipluiden, het oude kerkdorp 't Woudt. Hoewel de glastuinbouw van het Westland en de flats van de omringende steden erg nabij zijn, ligt de kleine woonkern zelf nog te midden van de weilanden. 't Woudt, een erfenis uit de Middeleeuwen, heeft als geen ander dorp in de drukke Randstad zijn bebouwingspatroon door de eeuwen behouden. Op dezelfde plaats als vierhonderd jaar geleden ontmoet men een kerk, een voormalige pastorie, een kosterswoning, enkele gerestaureerde arbeidershuisjes en een drietal voorname oude boerderijen.

De overheid heeft het dorpje en het gebied tot de provinciale weg in 1970 aangewezen tot "beschermd dorpsgezicht". Deze toewijzing heeft niet geleid tot een bevriezing van 't Woudt. Buiten de oude bebouwing is de schaalvergroting in de landbouw duidelijk zichtbaar. De recente nieuwbouw doet afbreuk aan het historische dorpsbeeld, maar heeft de boeren op 't Woudt gehouden. Met hun levende have zorgen ze voor een blijvende agrarische bedrijvigheid in het schilderachtige dorp.

De naam 't Woudt vertelt hoe het oorspronkelijke landschap eruit heeft gezien. Op de zanderige kleigrond bevond zich een moerasbos van voornamelijk wilgen en elzen. Uit aardewerkvondsten blijkt dat de onmiddellijke omgeving van 't Woudt reeds in het begin van onze jaartelling werd bewoond. Kort na het midden van de derde eeuw kwam er, door het ineenstorten van de Romeinse Rijksgrens, een einde aan deze bewoning. Na 1100 was er sprake van een verhoogde activiteit van de zee, waardoor het zoute water tot in deze streek zijn invloed liet gelden. Rond 't Woudt zijn de kreekjes nog te herkennen, die in die tijd deel uitmaakten van het stroomgebied van de Lee (Lier).

Bij de ontginning van de wildernis, vanaf de 12e eeuw, handhaafde men de natuurlijke geulen voor de afwatering. Hierdoor is het patroon van de verkaveling in de Woudsepolder nogal grillig geworden. Uit vrees voor overstromingen wierpen de bewoners terpjes op om hun woonerven droog te houden. Het inklinken van de veenbodem maakte de waterhuishouding in het nieuwe landschap moeilijker. Pestepidemieën versterkten de agrarische crisis, waardoor de meeste huisterpen in de tweede helft van de 14e eeuw werden verlaten. Een aantal bewoners verplaatste hun boerderijen naar de zanderige, minder klinkgevoelige, geulafzettingen, die als hoogten in de polder zichtbaar werden. Op een verbreding van zo'n kreekrug bevindt zich het dorpje 't Woudt.

De ligging van kerk en boerderijen, op een paar honderd meter van de hoofdweg, is dus te verklaren uit de bodemgesteldheid. Omdat de kerk ook werd gebruikt als begraafplaats, heeft men het terrein nog eens extra opgehoogd. Het gebouw domineert hierdoor zijn omgeving en nodigt van ver de voorbijgangers uit om deze stille plek te komen bezoeken.

De historie van 't Woudt biedt vele kleurrijke momenten. We zullen ons beperken tot de geschiedenis van het kerkgebouw en de bezienswaardigheden die daaraan zijn verbonden. Veel belangstellenden hebben de afgelopen jaren gevraagd naar een herdruk van de uitgave "De kerk van 't Woudt" (1972).

Deze publicatie is een verkorte en gewijzigde versie van dat boekje. De gids kan zowel afzonderlijk worden gelezen als bij een wandeling in en om de kerk. Later verschijnt een meer uitgebreide studie over de geschiedenis van 't Woudt, waarin niet alleen de kerk, maar ook het dorp en zijn bewoners worden besproken. Tot die tijd begeleidt dit boekje de bezoeker tijdens de tocht door het verleden van de Woudtse kerk. Wij hopen dat de kennismaking met dit cultuur-historische monument zal leiden tot een blijvende band met het oude kerkdorp 't Woudt.

 

Het dorpje 't Woudt en een belangrijk deel van de Woudsepolder hoorden vanouds tot het grafelijke domein Hof van Delft. Toen in de 13e eeuw de bevolking in dit gebied toenam, groeide het verlangen naar een eigen kerk. Deze wens werd kenbaar gemaakt aan Bartholomeus van der Made, die in de Hof van Delft vermoedelijk het ambt van villicus of hofrechter bekleedde. Een dergelijke functionaris vertegenwoordigde in een bepaalde rechtskring de graaf. Van Bartholomeus van der Made is bekend dat hij zich met verschillende kerkelijke zaken heeft beziggehouden. Hij bezat het recht om een kerk te stichten (fundatierecht) en om een pastoor voor te dragen (patronaatsrecht). Daarnaast beschikte hij over de tienden van de gewassen (tiendrecht), waarvan een deel was bestemd voor het onderhoud van kerk en pastorie. Omstreeks 1264 heeft hij de Oude Kerk (tot 1381 St. Bartholomeuskerk) van Delft gesticht. In, of kort vóór het jaar 1277 stichtte hij ook de kerk van 't Woudt.

Mogelijk gebeurde dit op een stukje grond, dat tot de "xv morghen opt Wout" behoorde, die Bartholomeus van de graaf in leen had. Uit een akte van 1 november 1277, gericht aan Floris V, blijkt dat Bartholomeus van der Made afstand deed van het patronaatsrecht van de kerk van 't Woudt. Hij verzocht de graaf erin toe te stemmen dat de parochianen van 't Woudt voortaan zelf een pastoor mochten kiezen en voordragen bij de bisschop. Tevens gaf hij hen de beschikking over enige goederen, waarschijnlijk landerijen, die de parochie een vaste bron van inkomsten moesten geven. Volgens een tweede schrijven, eveneens van 1 november 1277, schonk Floris V dit recht inderdaad aan de gezamenlijke parochianen. Uit een derde akte kan men opmaken dat Jan van Nassau, de elect (ongewijde bisschop) van Utrecht, dit besluit in 1285 bekrachtigde.

Waarom Bartholomeus van der Made afstand deed van het patronaatsrecht, ten gunste van de bewoners van 't Woudt, is niet bekend. De verlening op zich kan men beschouwen als een uitzonderlijke gebeurtenis, omdat het aanwijzen van een pastoor, en later van een predikant, gewoonlijk het recht bleef van één of enkele personen (meestal de heer of de instelling die de ambachtsrechten bezat). De parochianen van 't Woudt hebben steeds beseft dat de schriftelijke bewijzen van de schenking van dit voorrecht niet verloren mogen gaan. Van de drie oorspronkelijke akten worden dan ook herhaaldelijk afschriften gemaakt, waarvan er enkele tot nu toe in het kerkelijk archief van 't Woudt bewaard zijn gebleven.

 

De geschiedenis van het kerkgebouw is aan de stenen af te lezen. Het onderste deel van de toren bestaat uit zware kloostermoppen en kan nog uit de stichtingstijd dateren. Vóór de jongste restauratie (1957-1959) waren op de oostelijke torenmuur nog sporen zichtbaar van het eerste kerkje, dat niet veel breder was dan de toren. Het huidige schip, opgetrokken met bakstenen van een kleiner formaat, werd omstreeks 1500 gebouwd. Het omsluit de toren aan drie zijden, waardoor tussen de zijmuren en de torenflanken kleine zijbeuken zijn ontstaan. In die tijd heeft men ook de toren hoger gemaakt, zoals duidelijk blijkt uit het bouwmateriaal vanaf de onderkant van de bovenste galmgaten. De oude dubbele galmgaten, gevat binnen een rondboog, werden toen dichtgemetseld ter wille van de architectonische eenheid. Bij de restauratie zijn ze weer in het zicht gebracht, om te tonen hoe de vroegere toren eruit heeft gezien.

Rond de voet van de spits van de verhoogde toren liep waarschijnlijk een gemetselde borstwering. Dit kan men opmaken uit de van kapitelen voorziene zuiltjes, die op de hoeken en tussen de galmgaten van de bovengeleding zijn waar te nemen. De fijngeprofileerde boogjes en de witte blokjes op de torenhoeken zorgen met de spits voor een sierlijke afsluiting van de kordate toren. Op de steunberen van het vergrote schip vindt men eveneens blokken natuursteen, die daar voor een levendige kleurafwisseling zorgen. Tijdens de restauratie van de kerk heeft men de vensters, die in de vorige eeuw gedeeltelijk waren dichtgezet, weer voorzien van traceringen en van glas-in-lood.

In 1831 werd het koor afgebroken om ruimte te maken voor een eenvoudig kerkhof. In de hoge oostgevel ziet men nog de triomfboog, die eertijds het koor met het schip verbond. De herbouw van dit belangrijke onderdeel van de kerk was tijdens de restauratie vanwege de aanwezigheid van de begraafplaats helaas niet mogelijk. De voormalige doopkapel kon door de vondst van de fundering wel worden opgetrokken. De veelhoekige kapel bevindt zich aan de noordelijke torenflank en is thans als consistoriekamer ingericht.

Aan de situering van de kerk kan men nog goed zien dat het gebouw oorspronkelijk voor de rooms-katholieke eredienst werd gebruikt. Volgens algemene gewoonte is het georiënteerd of geoost. Hierdoor lag het koor – het gedeelte waar het altaar stond – met zijn vensters naar het oosten. Bij het opdragen van de mis keerde de priester zijn gelaat naar het oosten, waar Christus heeft geleefd. Zoals bij andere oude kerken ligt de toren in het westen. De torenzijde is de meest gesloten kant van de kerk, die daardoor bescherming bood tegen regen- en stormbuien uit het westen.

 

Omdat er, voor zover bekend, niets bewaard is gebleven van het kerkelijk archief van vóór de Reformatie zijn we wat deze periode betreft afhankelijk van andere, meer indirecte bronnen. Het oudste gegeven over de parochie 't Woudt – naast het patronaatsrecht – treft men aan in een oorkonde uit 1304 van het Delftse klooster Koningsveld. Hierin wordt een zekere Ghoeswijn "pape (pastoor) van den Woude" genoemd. Wie de patroonheilige van de kerk is geweest, staat vreemd genoeg nergens vermeld. In een stuk van het bisdom Utrecht worden de parochiegrenzen wel precies omschreven. In de katholieke periode woonde de bevolking, die onder de kerk van 't Woudt viel, verspreid over het grondgebied van de parochie. In die tijd stonden hier niet meer dan enkele tientallen huizen.

Uit een grafelijk onderzoek van februari 1369 kan men afleiden dat "'t Wout ende Harnasse" (een ambacht je bij 't Woudt) ongeveer 90 mensen telde. Twee jaar later is er sprake van een teruggang naar zo'n 52 personen. Dit kwam vermoedelijk door een hevige pestepidemie, die in de zomer van 1369 veel slachtoffers maakte. Het ontbreken van pastoorsnamen tot voorbij het midden van de 15e eeuw houdt stellig verband met de vermindering van het aantal parochianen. De indruk bestaat dat de parochie 't Woudt geruime tijd werd bediend vanuit de Oude Kerk in Delft. Pas in 1473 ontmoeten we in een oorkonde van het Delftse St. Annaklooster weer een "pastoir opt Wout", namelijk Dirck Gerytsz.

Volgens de "Informacie" hadden "'t Wout ende Harnasch" in 1514 omtrent 100 communicanten. De vergroting van de kerk, rond 1500, kan mede uit de bevolkingsgroei worden verklaard. In 1508 werd pastoor Dirck Gerytsz. opgevolgd door Dirck Aemsz. (van der Burch), die ook bekend is geworden als biechtvader van de Delftse bagijnen en als onderpastoor van de Oude Kerk. In een rekening van het bisdom Utrecht van 1517 treft men Dirck Pietersz. aan als onderpastoor van 't Woudt. Vrijwel zeker nam hij hier de zielzorg waar voor Dirck Aemsz., die in Delft was blijven wonen, omdat daar zijn belangrijkste werkzaamheden lagen. In 1523 deed heer Dirck afstand van het pastoraat in 't Woudt ten behoeve van zijn neef Beukel Hendriksz. (van der Burch). Toen deze tijdens de terugreis van een bedevaart naar Jeruzalem in 1531 stierf, werd hij opgevolgd door Beukel Cornelisz., die de parochie tot 1558 leidde.

De laatste pastoor van 't Woudt was Pieter Cornelisz. Bel, die onder meer wordt genoemd in een register van de O.L. Vrouwekapel te Den Hoorn. Dit was een devotiekapel langs de weg van Delft naar 't Woudt. Van 1559-1562 heeft Bel hier verschillende missen geleid. Waarschijnlijk diende hij de parochie 't Woudt tot 1572. Vanaf dat jaar gingen kerk en pastorie geleidelijk over naar de aanhangers van de "nieuwe leer", het calvinisme. De pastoriegoederen vervielen aan de Staten van Holland, die het beheer ervan onderbrachten bij het Geestelijk Kantoor te Delft. Uit de administratie van deze instelling blijkt dat Pieter Cornelisz. Bel, die naar Delft was uitgeweken, tot 1578 een inkomen heeft genoten uit het Woudtse pastoriebezit.

Uit de Tiende Penning (een onroerend-goedbelasting) van 1561 kan men afleiden dat de parochie 't Woudt (kerk, pastorie, kosterij en armenzorg) minstens 25 ha. land verpachtte. De jaarlijkse opbrengst hiervan was ongeveer 160 pond. Ook kwamen ontvangsten uit het bezit van een aantal opstallen, zoals een boerderij en enkele huisjes waar "schamele lieden van den aelmisse" leefden. Naast de land- en de huishuur kreeg de kerk nog inkomsten uit renten, collecten, giften en zoengelden (boetes). Hoewel de parochie 't Woudt minder inwoners telde dan de omliggende kerkelijke eenheden, was zij door de vaste financiële bijdragen lange tijd in staat om een eigen pastoor te onderhouden. De uiteindelijke oorzaak van de ondergang van de parochie 't Woudt moet men dan ook niet zoeken in de materiële toestand van de kerk, maar in het algehele geestelijke klimaat in de eerste jaren van de Tachtigjarige Oorlog.

 

Op 2 augustus 1572 werd in Delft een keur afgekondigd, waarin stond vermeld dat de Nieuwe Kerk in het vervolg voor de "Gereformeerde Religie" zou worden bestemd. Hoewel slechts een minderheid van de bewoners was aangesloten bij de jonge calvinistische gemeente, wist zij dankzij de steun van een aantal fanatieke watergeuzen haar wil op te leggen aan het stadsbestuur. Op het platteland rond Delft was de situatie in die woelige periode niet veel anders. Gesteund door de gewestelijke en de lokale overheden mochten de "ghereformeerden" de bestaande kerken inrichten voor hun eredienst.

Uit een Haarlems handschrift met betrekking tot het geslacht Van der Burch blijkt dat "de seer constelyck beschreven glasen" (gebrandschilderde ramen) van de kerk van 't Woudt "ten deele syn uytgesmeten ten tyde (dat) het Crychsvolck van den Grave van der Marck aldaer was leggende". Hier wordt dus gedoeld op de geuzen, die onder leiding van de wrede hoofdman Lumey in de jaren 1572-'74 behoorlijk hebben huisgehouden in deze omgeving. In de ramen van de Woudtse kerk stond "de Historye vant lyden ende sterven" van Christus afgebeeld. Dergelijke voorstellingen pasten niet bij de sobere opvattingen van de nieuwe kerkleer.

In tegenstelling tot de kerk van Schipluiden kreeg 't Woudt niet direct een eigen protestantse voorganger. De gemeente was hiervoor aanvankelijk nog te klein, zodat de dienst eerst nog enige jaren werd waargenomen door predikanten uit Delft. Op 2 november 1587 lieten "eenighe buyren van het Woudt" de classis van Delft weten dat zij "seer gherne versien waren van eenen ghetrouwen ende gestadighen dienaer".

Enkele maanden later werd Johannes Martini de eerste predikant van 't Woudt. De opbouw van de jonge gemeente ging erg moeizaam, omdat het aantal lidmaten lange tijd heel klein is gebleven. In 1591 telde de kerk slechts 11 "ledematen". Er was toen ook maar één ouderling en één diaken. In 1623 bedroeg het aantal lidmaten 47, dat later weer terugliep tot 30. Pas in de tweede helft van de 18e eeuw werd het getal 50 gepasseerd. Gelukkig behoefden deze personen niet het inkomen van de predikant bijeen te brengen. Omdat de pastoriegoederen na de Reformatie in het Geestelijk Kantoor van Delft waren opgenomen, kregen de predikanten tot de Franse tijd van deze staatsinstelling hun traktement. Dit was in 1590 een bedrag van 300 pond, terwijl de inkomsten uit het pastoriebezit toen nog geen 140 pond bedroegen. Dankzij de aanvullende overheidssteun heeft de hervormde gemeente 't Woudt altijd een eigen predikant kunnen behouden. De ontvangsten uit het kerkelijk bezit en de bijdragen van de lidmaten waren toereikend voor het onderhoud van het kerkgebouwen en de koster/schoolmeester. Wanneer extra uitgaven noodzakelijk werden, kwam de gemeente in financiële problemen. Uit een rekeningenboek van de kerkvoogdij kan men opmaken dat er in 1639 een brand is geweest in de toren van de kerk. Het herstel werd over een reeks van jaren verspreid, zodat de kosten niet ineens voldaan behoefden te worden. Een inzamelingsactie "tot opbouwinge van de thooren" bracht in 1642 f 252,-- op. Daar tegenover stonden uitgaven als f 700,-- voor twee timmerlieden, f 128,-- voor de uurwerkmaker en ruim f 114,-- voor de tinnegieter.

In de 18e eeuw wordt in verschillende bronnen gesproken over "het Rijcke Woudt". Uit het lofdichtje onder de gravure van Anna C. Brouwer (1793) kan men opmaken waarom dit dorp zo bijzonder was. Het vers duidt zowel op het winstgevende boterbedrijf in die tijd als op het voorrecht dat de Woudtse "mansledematen" nog steeds hun eigen voorganger mochten kiezen, zonder dat daar toestemming van een ambachtsheer voor nodig was. Ook de keuze van de schoolmeester werd door alle mannelijke lidmaten gezamenlijk gedaan. Bij een vacature organiseerde men in de kerk speciale hoorzittingen, waarin de kandidaten proeven van hun bekwaamheid moesten afleggen. Hierna volgden de stemming en de aanstelling. Dorpsbeschrijver Van Ollefen zegt aan het eind van de 18e eeuw over het Woudtse kerkgebouw: "Zij is niet groot, en geheel zonder pijlaaren gebouwd; de Predikstoel staat midden in de Kerk tegen den muur (toen nog de zuidmuur); het ruim is met goede en geregelde zitplaatsen en gestoelten bezet, alle welken, door de kleinte der Kerk, goede gehoorplaatsen zijn." Het koor was in die tijd met een houten hekje afgesloten. In de koorronding bevond zich een kerkenraadskamer, afgescheiden van de rest van deze ruimte.

In de Franse tijd (1795-1813) kwam er een einde aan de bevoorrechte positie van de Nederlands Hervormde Kerk. Net zoals in andere plaatsen eisten toen ook hier de katholieken het bezit op van het middeleeuwse kerkgebouw. Ze voerden daarvoor historische rechten aan en benadrukten dat het aantal zielen van hun gemeenschap (118) groter was dan dat van de hervormde gemeente (105). De kwestie liep zo hoog op, dat een bemiddelaar voorstelde een muur tussen het koor en het schip van de kerk te metselen, waarna de katholieken het gebruik van het koor zouden krijgen. De hervormden keurden deze oplossing scherp af, omdat juist in het koor hun meeste eigen graven lagen. Hoewel de hervormde gemeente vanwege het onderhoud van kerk en pastorie een schuld bezat van bijna f 8000,--, mocht zij uiteindelijk toch het kerkgebouw behouden. De katholieken van 't Woudt en omgeving bleven daardoor aangewezen op een kerkje onder Hodenpijl, een ambachtje tussen 't Woudt en Schipluiden. Pas in 1917 kregen zij een eigen kerkgebouw in Den Hoorn, niet ver van de plaats waar tot 1573 de O.L. Vrouwekapel had gestaan.

Uit de rekeningenboeken blijkt dat de Woudtse kerk in de 19e eeuw steeds meer onderhoud ging vragen. In 1805 werd bijvoorbeeld een rekening betaald voor "het schoone" (het schoonmaken) van de binten in de toren en van het dak. In datzelfde jaar liet men ook het houtwerk van de "voormaalige biegtkamer" (de kerkenraadskamer in het koor?) afbreken. Regelmatig moesten er nieuwe leien worden aangebracht; losse stenen werden verwijderd en vervangen. Na de afbraak van het koor (in 1831) kwam er in de zuidoosthoek van de kerk een houten consistorie. In 1855/56 bouwde meestertimmerman Jan Bijl uit Den Hoorn een nieuwe pastorie ten oosten van de bestaande predikantswoning. Het oude huis werd daarna gesloopt. Achter de begraafplaats is hiervan in de slootkant nog het muurwerk te zien. De hervormde gemeente 't Woudt telde in die tijd 180 zielen, waaronder 80 lidmaten.

Na 1900 verplaatste het zwaartepunt van de gemeente zich naar Den Hoorn, een woonkern die door de opkomst van de tuinbouw sterk begon uit te groeien. In 1950/51 werd daar het gebouw van de 3-klassige christelijke school verbouwd tot kerkzaal. In die periode waren er inmiddels 197 lidmaten (101 vrouwen en 96 mannen). Tot in de jaren '70 vonden de morgendiensten beurtelings plaats in 't Woudt en in Den Hoorn. Tijdens de restauratie van de Woudtse kerk (1957-1959) werd er elke zondag in het tuindersdorp gekerkt. Het gebouw in Den Hoorn wordt nu nog voor de avonddiensten gebruikt, bovendien heeft het verenigingsleven hier een vast onderkomen.

Uit de notulen van de kerkvoogdij kan men opmaken dat de eerste plannen voor de restauratie in 1952 werden ontwikkeld. Het metselwerk van de kerk en vooral van de toren verkeerde in een zeer slechte staat. Architect E.A. Canneman van Monumentenzorg schatte de kosten voor een algeheel herstel aanvankelijk op f 120.000,--. Het architectenbureau L. v.d. Kloot Meijburg te Scheveningen maakte in 1956 het bestek en de voorwaarden, waarbij de kosten op f 193.000,-- werden beraamd. De firma D. Huurman uit Delft kreeg de restauratieopdracht. Vanwege verschillende bijkomende kosten bedroeg het eindbedrag bijna f 300.000,--, waarvan de kerkelijke gemeente slechts 10 procent behoefde te voldoen. De rest werd gesubsidieerd door het rijk (65 procent), de provincie (15 procent) en de burgerlijke gemeente (10 procent). Dankzij deze restauratie beschikt hervormd 't Woudt over een juweel van een kerkgebouw.

 

In het voorportaal van de kerk treft men op de beide zijwanden twee borden aan met daarop de namen van de 47 predikanten die 't Woudt na de Reformatie hebben gediend. Het valt op dat deze hervormde gemeente veel jonge voorgangers heeft gehad, gezien de toevoeging proponent of kandidaat. Een opvallend predikant was Johannes Fenacolius (1601-1608), die een schitterend overzicht heeft nagelaten van wat er kort na 1600 in de pastorietuin groeide en bloeide. Jacobus Dissius heeft het langst in 't Woudt gestaan (1623-1662).

Als men de kerk binnen gaat, komt men direct onder de indruk van de gewaagde, maar fraaie kleurencombinatie van de banken, het doophek rond de preekstoel en het tongewelf. Door de grote spitsboogvensters, waarin de tracering verschilt, valt het licht aangenaam naar binnen. Inwendig doet het korte schip ruim en hoog aan; dit komt mede doordat het gewelf de ruimte zonder trekbalken overspant. De ribben of schenkels rusten op een muurstijltje met console. Onder de vensters geven sierlijke nissen reliëf aan de muren. De eikenhouten preekstoel in het verlengde, de grote banken in de vier hoeken en de koperen kaarsenkroon in het midden van de kerk getuigen van een welverzorgde compositie.

 
Meer artikelen...