Bij de diensten

·

In de ochtenddienst van 29 september stond er een prachtig groot bloemstuk. We hebben een aantal gemeenteleden blij kunnen maken met een bosje daarvan. 

In de avonddienst van 29 september lazen we Jesaja 63:7 – 64:2. Een indrukwekkend stuk, wat ook in de Psalmen had kunnen staan. Het is een loflied, een klaagzang en een hartstochtelijk gebed tot God. 

‘U bent toch onze Vader? Abraham heeft ons niet gekend en Israël zou ons niet herkennen, maar U HEER bent onze Vader’. Abraham was een indrukwekkend persoon. Vooral omdat hij geloofde en omdat Hij bereid was de stem van God te volgen. Zonder te vragen: voor hoeveel en waarom. Dat is indrukwekkend en inspirerend. Maar tegelijkertijd geldt: de ware identiteit van het volk is niet gelegen in menselijke afstamming. 

De ware identiteit van het volk is te traceren tot de verbondssluiting door YHWH op Sinaï. Daarom is er in Jesaja 63:19b – 64:2 een verwijzing naar deze verbondssluiting die gepaard ging met een openbaring van God: ‘scheurde U maar de hemel om af te dalen! De bergen zouden voor U beven…’ Wat bepaalt de identiteit van Israël? Wat geeft daarbij de doorslag? Niet de bloedband met Abraham. Wel: dat God een verbond gesloten heeft met het volk en daarmee de Vader van het volk is geworden. In Exodus, het boek dat de verbondssluiting beschrijft, geeft YHWH ook aan dat Israël Zijn eerstgeboren zoon is (Ex. 4:22). God is dus de Vader van het volk. In de woestijn is God de Vader geworden van het volk. Daarom zijn Abraham en Israël ook niet de echte vaders van het volk, maar is God dat. ‘Hij tilde hen op en heeft hen gedragen alle jaren door’. Het geeft de intimiteit aan van hoe God als Vader voor Zijn volk zorgt en hen leidt. 

Het beroep op het Vaderschap van God betekent dus een appèl op Degene die het volk heeft grootgebracht: die het volk heeft verlost uit Egypte, heeft geleid heeft door de woestijn. Door de verlossing uit de slavernij van Egypte werd God de vader van het volk en heeft Hij het volk als natie gevestigd. Deze relatie werd geformaliseerd door de verbondsstichting op de Sinaï. En nu, nu het volk in de ellende zit, en geestelijk aan de grond zit, beseft het, dat ze niet verder kunnen op eigen kracht. Ze zijn niet bij machte om te vechten tegen een wereldmacht. Ze zijn niet bij machte om zichzelf te verlossen uit Babel. Ze zijn niet bij machte om zelf thuis te komen. Ze hebben één hoop, en dat is God. De God die hen verlost heeft uit Egypte, die hun Vader geworden is in de woestijn, dat is de God die hen verlossen kan. Het volk smeekt God om Zich opnieuw te openbaren in een nieuwe Sinaï ervaring. Omdat het volk God erkent als de Verlosser uit Egypte, daarom durft het Zijn toevlucht te zoeken tot God de Vader.

Het gebruik van de beeldspraak van ‘Vader’ geeft niet een onschuldige, idyllische vader-kind relatie weer. Op de achtergrond speelt de zondigheid van het volk en de totale afhankelijkheid van het volk ten opzichte van God. Zonder God zijn ze nergens. Dat geldt ook voor ons. Het beeld van vaderschap drukt ook een wederzijdse verantwoordelijkheid uit. Een verantwoordelijkheid van het volk om God te gehoorzamen; en dus ook een verantwoordelijkheid van God om het volk niet te verlaten. Het gaat niet primair over warme gevoelens. Het gaat wel over commitment en een hartstochtelijk beroep op God om te redden. 

Het volk roept uit dat God Zich niet gedraagt als Vader en Verlosser. ‘Waarom HEER liet U ons afdwalen van Uw wegen? Waarom hebt U ons onbuigzaam gemaakt? Keer terug!’ In de ervaring van het volk gedraagt God Zich niet overeenkomstig Zijn Naam. Hij wordt opgeroepen Zijn gedrag te veranderen en Zijn toorn op te geven. Niet omdat het volk zo goed is, maar omwille van Zijn Naam. Zijn Naam, Zijn reputatie en de betrouwbaarheid van Zijn beloften staan op het spel, en daarmee de betrouwbaarheid van Hem Zelf. Kan Hij het maken dat Zijn volk onverlost in zonde en ongerechtigheid voortgaat? Nee, dat kan Hij niet. Hij zal alles doen om Zijn volk te verlossen. Dat heeft Hij gedaan. Aan Zijn Naam hangt de redding van het volk. Wat bepaalt wie Israël is? Niet dat ze afstammen van Abraham; maar dat God hun Vader is geworden. 

Wat bepaalt wie wij zijn? Niet van wie wij afstammen. Maar wel: in wiens Naam wij gedoopt zijn. In Jezus Christus is God onze Vader geworden. Aan Zijn Naam hangt onze redding.